Studentenvereniging
“Klopt,” zei ik met veel meer zelfvertrouwen dan ik van mezelf gewend ben, “ik ben totaal geen bedreiging.”
Ik was door een studentenvereniging gevraagd om een lezing te komen geven over werkdruk onder twintigers. Toevallig had dezelfde vereniging me eens uitgenodigd voor een literair festival waarbij alles in kannen en kruiken leek — tot ik niets meer hoorde en besloot om op te zoeken wanneer het eigenlijk zou plaatsvinden, en op hun website allemaal vrolijke foto’s aantrof. Van het festival. Twee weken eerder.
Maar goed, zo’n bestuur wisselt elk jaar, dus ik was de beroerdste niet. Ook nu vielen er grote gaten in de communicatie — maar ja, die studentendruk hè. En dat Freek me met ‘u’ bleef aanspreken en twee dagen van tevoren schreef dat hij trouwens verwachtte dat ik 90 (!) minuten zou spreken, dat was gewoon grappig.
Toen ik op de avond zelf de onherstelbaar gore sociëteit binnenliep, bleek Freek een vriendelijke, ballerige jongen te zijn, die bovendien bloedzenuwachtig was. De studenten hadden vorig jaar zelf een katheder gebouwd, vertelde hij, maar die was iets te hoog geworden, waardoor de spreker eigenlijk boven de 1 meter 85 moest zijn. Ze hadden er dus een kratje achter gezet. Maar toen ik daarop ging staan, kwam ik weer veel te hoog boven het spreekgestoelte uit, wat er ook belachelijk uitzag. Er werd koortsachtig gezocht naar een tussenoplossing.
Normaliter zouden deze zenuwen meteen op mij overslaan en me nog wat nerveuzer voor mijn optreden maken, maar nu kon ik vaderlijk toekijken: ik had me goed voorbereid. Uiteindelijk vonden ze in de jungle van hun achtertuin een dikke deur, die ze met vier man naar binnen tilden en in de lengte achter de katheder legden, als een soort catwalk. Ik stond een beetje wankel, maar het werkte.

De lezing hinkte op twee gedachten: aan de ene kant leefde ik mee met de studenten-burnouts, en pleitte ik voor opstand tegen de druk van het kapitalisme, aan de andere kant was het een betoog voor zelfrelativering: die burnouts komen óók voort uit consumenten-narcisme, waar twintigers extreem vatbaar voor zijn.
Het ging goed. Na afloop kwamen er meisjes naar me toe. Meisjes met problemen. En daar val ik op — als ik iemand aantrekkelijk vind, is de kans groot dat ze even later bekent dat ze een bipolaire stoornis heeft.
Ik stond met een meisje met een burnout en drie eetstoornissen te praten, toen plots een jongen zich bij ons voegde. Hij ging iets te dicht bij me staan en zei: “Hoi, ik ben Bas.” “Hoi Bas,” zei ik vrolijk, maar hij draaide zich naar het meisje en zei: “Ik ga zo naar huis.” Hij liet een stilte vallen en zijn ogen schoten even in mijn richting. “Joúw huis dus.” “Oké...” zei ze.
Nadat Bas was weggelopen, moesten we lachen. “Dat was territoriumdrang,” sprak ik wijs, waarna ik een slok van mijn waterige biertje nam. “Oh ja? Ik dacht dat hij gewoon ongemakkelijk was.” “Nee, dit was een apenrotsmoment.” “Ach, dat is toch helemaal niet nodig,” zei het meisje terwijl ze me diep in de ogen keek, “jij bent veel te oud. En je hebt een kind.” “Klopt,” zei ik met veel meer zelfvertrouwen dan ik van mezelf gewend ben, “ik ben totaal geen bedreiging.”
Dat moment was genoeg. Even later ging ik weg, naar mijn fijne huis waar alles wel zo’n beetje op zijn plek staat, intens tevreden met mijn leven als saaie, kalende dertiger.
8 MEI 2018

